De digitale vraagbaak voor het wiskundeonderwijs

home |  vandaag |  gisteren |  bijzonder |  gastenboek |  wie is wie? |  verhalen |  contact

HOME

samengevat
vragen bekijken
een vraag stellen
hulpjes
zoeken
FAQ
links
twitter
boeken
help

inloggen

colofon

  \require{AMSmath} Printen

Logaritmische vergelijking

De volgende logaritmische vergelijking: (3logx)2+6=5·3logx kwam ik tot de volgende oplossing: x=9. Toen ik het antwoord bekeken stond er x=9 en x=27. Ik vraag me nu af hoe je aan die x=27 komt?

Aan x=9 kwam ik als volgt:

(3log(x))2+6=5·3log(x)
3log(x)-5·3log(x)=-6
(-3·3log(x)=-6)/-3
3log(x)= 2
x=32 ® x=9

Thijs
Student universiteit - maandag 12 januari 2004

Antwoord

Hallo Thijs,

Je hebt gewoon geluk gehad, want je afleiding is verkeerd...
In je eerste stap vorm je (3log(x))2 om tot 2*(3log(x))

Dat is niet correct: je zegt A2=2A, en dat klopt maar zelden, maar toevallig in dit geval wel. Je verwart met de eigenschap log(a2)=2*log(a), waarbij het kwadraat BINNEN de log staat.

Om deze oefening op te lossen moet je zien dat het gaat om een kwadratische vergelijking in de onbekende 3log(x). Als je deze onbekende y noemt, krijg je:
y2+6=5y met als oplossingen y=2, y=3.

Daaruit haal je dan wel de twee oplossingen x=9, x=27...

Groeten,

Christophe
Vragen naar aanleiding van dit antwoord? Klik rechts..!
maandag 12 januari 2004



home |  vandaag |  bijzonder |  gastenboek |  statistieken |  wie is wie? |  verhalen |  colofon

©2001-2024 WisFaq - versie 3