\require{AMSmath}
WisFaq - de digitale vraagbaak voor wiskunde en wiskunde onderwijs


Printen

Vaasprobleem

In 3 gelijke vazen vinden we blauwe en groene knikkers. Eerste vaas: 24 blauwe en 16 groene knikkers. De tweede: 32 blauwe en 48 groene knikkers. De derde: 5 blauwe en 15 groene knikkers. Men trekt uit een willekeurige vaas een willekeurige knikker. De knikker wordt naar een andere plaats gebracht en men stelt vast dat die knikker blauw is. Wat is de kans dat hij uit vaas één komt?

Ik dacht eraan een kansboom op te stellen en met voorwaardelijke kans te berekenen dat P (vaas 1 | Blauw) = (1/3 · 24/30) / (29/60) = 55%. De oplossing is echter 12/25, 48%. Wat doe ik verkeerd?

Lea
Student Hoger Onderwijs België - zondag 13 november 2011

Antwoord

Hallo Lea,

Hoe kom je in jouw antwoord aan de breuk 24/30? De teller 24 zal wel het aantal blauwe knikkers in vaas één zijn, maar heb je goed geteld hoeveel knikkers er in totaal in deze vaas zitten?
Verder begrijp ik niet hoe je aan de breuk 29/60 komt, kan je dit uitleggen? Wellicht heb je ook hier een telfout gemaakt, maar ik kan niet raden welke dit zou kunnen zijn.

De aanpak met een kansboom werkt wel: wanneer je langs de takken de juiste kansen schrijft, kom je inderdaad uit op 48/100 = 12/25 = 48%.

Controleer nog eens of je goed hebt geteld en maak je kansboom opnieuw, dan moet het goede antwoord eruit komen. Lukt dit?

GHvD
zondag 13 november 2011

 Re: Vaas probleem 

©2001-2022 WisFaq