\require{AMSmath}
WisFaq - de digitale vraagbaak voor wiskunde en wiskunde onderwijs


Printen

Steekproefgrootte experimenteel onderzoek

Voor mijn afstuderen ga ik onderzoek doen bij kantoorgebouwen naar wat mensen van het thermische binnenklimaat vinden (te koud, te warm, aangenaam). De proefpersonen moeten 3 weken lang 2 keer per dag een vragenlijst beantwoorden (telkens dezelfde). Na afloop kan ik dan in een grafiek de optimale temperatuur binnen (die de proefpersonen het meest aangenaam vinden) tegen de buitentemperatuur uitzetten.

Met de formule a=zÖ((p(1-p))/n) kwam ik uit op n = 323. Daarbij heb ik voor p 70% aangenomen, omdat ik er vanuit ga dat 70% het klimaat aangenaam vindt, en voor a 5%. Maar omdat elke persoon 30 keer de vragenlijst moet beantwoorden, kom ik uit op 323/30 = 11 proefpersonen. Maar dat lijkt me erg onwaarschijnlijk! Toch verzamel ik op die manier 330 data...

Mijn eerste vraag is of dit klopt? En kan ik voor p 70% aannemen?

Dan moet ik volgens mijn begeleider iets met de variabelen doen (maar hij weet ook niet hoe). Er zijn namelijk aardig wat variabelen in mijn onderzoek die allen invloed hebben op wat mensen van het binnenklimaat vinden, zoals de kleding die de proefpersonen dragen, of ze een raam open hebben staan (luchtsnelheid), of de zon op de gevel schijnt.

Ik begrijp niet hoe ik dat moet verwerken in het bepalen van de steekproefgrootte. Als er in totaal 5 variabelen zijn, moet de grootte dan zijn 5xn? Maar in mijn resultaten maak ik geen onderscheid tussen bijvoorbeeld geslacht en of mensen wel of niet hun ramen open hebben. Er komt in totaal 1 grafiek uit als het goed is.

Ik hoop dat jullie me kunnen helpen!

Groetjes.

Hannah
Student universiteit - donderdag 19 februari 2004

Antwoord

Die p=70% moet je niet doen het gaat om de meest ongunstige waarde namelijk 50%. Levert op 385 personen/respondenten.
Je hebt van dezelfde persoon 30 metingen. Dan mag je absoluut niet aannemen dat je met 11 resondenten er bent. Het gaat er juist om wat mensen behagelijk vinden om in te werken.
Daarom moet je die herhalingen zien als data van dezelfde respondent en ook absoluut bij de verwerking dit op respondent gekoppeld houden !!!! Betekent dus feitelijk 385 respondenten x 30 metingen. Met 11 respondenten zal je dus statistisch volledig de mist in gaan. 385 respondenten is wellicht wat veel. Neem er dan 100.
Zelf ook nadenken over andere variabelen die een rol spelen (zoals kleding etc). Misschien moet je de respondenten zelfs vragen op welke temperatuur ze de termostaat thuis altijd zetten.
Twee zaken kunnen verder nog een rol spelen namelijk de eindige populatie bij de kantoorgebouwen en het meetniveau van de verschillende variabelen. Om daarover te kunnen oordelen zou ik echter meer informatie (wellicht je hele onderzoeksopzet) moeten hebben, dat lijkt me echter geen optie.

Met vriendelijke groet

JaDeX


maandag 23 februari 2004

©2001-2024 WisFaq