De digitale vraagbaak voor het wiskundeonderwijs

home |  vandaag |  gisteren |  bijzonder |  prikbord |  gastenboek |  wie is wie? |  contact

HOME

samengevat
vragen bekijken
een vraag stellen
hulpjes
zoeken
FAQ's
links
twitter
boeken
help

inloggen

colofon

  \require{AMSmath} Printen

ExponentiŽle functies

Hoi, nog vraagje:

los de volgende vergelijking op:
3÷x+1 = 3x-5

berekening: ik heb gedaan
x + 1 = x-5
x = x-6
x = (x-6)2
x= x2-12x+36
x2-13x+36=0
= x = 4 of x = 9
...maar de oplossing is enkel 9 doe ik iets verkeerds ofzo?
alvast bedankt

yann
3de graad ASO - zaterdag 8 maart 2008

Antwoord

Als je x=4 zou nemen dan beweer je dat ÷4=-2 (tweede regel!). Bij de overgang van ÷x=x-6 naar x=(x-6)2 moet je eisen dat x-60 of te wel x6.

Een andere 'aanpak' is dat als je bij 't oplossen van vergelijkingen kwadrateert je de oplossingen stuk voor stuk moet controleren.

Dit 'probleem' heeft alles te maken met het feit dat bij het kwadrateren negatieve getallen positief worden zodat die mogelijk een 'nieuwe' oplossing introduceren.

Er geldt bijvoorbeeld (-2)2=4, maar dat wil niet zeggen dat -2 gelijk is 2. Snap je?

Wie is wie?
Vragen naar aanleiding van dit antwoord? Klik rechts..!
zaterdag 8 maart 2008



klein |  normaal |  groot

home |  vandaag |  bijzonder |  twitter |  gastenboek |  wie is wie? |  colofon

©2001-2021 WisFaq - versie 3