WisFaq!

\require{AMSmath} geprint op maandag 29 april 2024

Re: Re: Spel met een dobbelsteen

Dag Gilbert,

Indien ik voor antwoord (a) mag steunen op de uitkomstenverzameling die u eerder hebt uitgetekend bekom ik volgende oplossingen voor de vragen (b), (c) en (d):

oplossing (b) : P(NA) = 5/6.3/6
oplossing (c) : ofwel P(NNK) = 5/6.3/6.1/6
ofwel P(NNNNK)= 5/6.3/6.5/6.3/6.1/6
oplossing (d) : P(Anke wint tweemaal) = 0 aangezien deze gebeurtenis niet voorkomt in de uitkomstenverzameling U (lees het spel stopt van zodra Anke of Karel een eerste keer winnen)

Hierboven heb ik telkenmale gebruik gemaakt van het feit dat de kans op het werpen van een 6 door Karel = 1/6, de kans op het niet werpen van een 6 door Karel = 5/6, de kans op het werpen van een oneven aantal ogen door Anke = 3/6 en de kans op het niet werpen van een oneven aantal ogen door Anke = 3/6

Lijken u deze oplossingen correct te zijn ?
Het boek blijkt in deze jammer genoeg zelf geen oplossingen te geven.

Luka

Luka
3-6-2018

Antwoord

Hallo Luka,

De oplossingen voor de vragen b) en c) lijken me correct.

Vraag d is iets complexer dan je denkt: er worden drie spelletjes gespeeld. De vraag is dus wat de kans is dat Anke twee spelletjes wint, en Karel dus één spelletje wint.

Bereken dus eerst hoe groot de kans is dat Anke een spelletje wint (je weet dan ook hoe groot de kans is dat Karel een spelletje wint). Gebruik deze uitkomsten om de kans te berekenen dat Anke twee van de drie spelletjes wint en Karel één van de drie (in willekeurige volgorde).

GHvD
5-6-2018


© 2001-2024 WisFaq
WisFaq - de digitale vraagbaak voor het wiskunde onderwijs - http://www.wisfaq.nl

#86357 - Kansrekenen - 3de graad ASO